Welkom op Jobs geboortewebstek  . . .

geboortekaartje ] geboren! ] 1e dag ] 1e week ] familie ]   Mail Job!

 

 

 

Terug in Webstek

 

Meer over zijn naam: Job

"Job staat voor alle mensen, getroffen door zwaar leed!"

Job, een naam uit een van de 'moeilijkste' bijbelboeken... 
Hieronder een gedeelte van een preek van pastoor Van Ogtrop van de Kathedraal St. Bavo, Haarlem. En nog een preek van Geerten Kok uit Etten-Leur.

Waarom, waarom?
5e ZONDAG DOOR HET JAAR (9 februari 2003) Job 7,1-7, Marcus 1,29-39

Het is nu zo’n drie jaar geleden dat Mgr. Bekkers werd uitgeroepen tot Nederlandse katholiek van de twintigste eeuw.
Of dat terecht is is nu niet belangrijk: zijn verkiezing wilde gewoon zeggen dat velen zich herkenden in zijn manier van geloven die de gewone traditie doorbrak.
Dat werd ook gedaan bij zijn uitvaart.

Toen hij door een hersentumor geveld veel te jong stierf werd er (en dat was voor het eerst in een katholieke uitvaartdienst) gelezen uit het boek Job.
Nooit tevoren had bij een uitvaart zo’n klacht, zo’n vrijmoedige aanklacht van God geklonken!
Uit het 14e hoofdstuk werd toen gelezen:
'Zou een dode weer tot leven kunnen komen?
Ach, heel mijn leven zou ik op wacht blijven staan tot mijn aflossing komt.
Ik zou antwoorden als God roept, hunkerend naar Zijn eigen schepsel.'

Het verhaal van Job is u hopelijk bekend: hij was eerst rijk en gelukkig.
Dan hij verliest hij alles: in etappes:
eerst zijn kuddes, dan zijn huis, dan zijn familie en tenslotte ook zijn gezondheid.
Getroffen door een ongeneselijke ziekte zit hij berooid van alles op een vuilnishoop.
Hij staat voor alle mensen, getroffen door zwaar leed!

Belangrijk is wat hij dan zegt.
Hij gaat het gesprek aan met God.
Zijn vrienden horen het aan:
‘ Waarom overkomt mij dit God’
hij balt als het ware zijn vuisten naar God.
Zijn vrienden zijn diep geschokt

Maar Jobs vragen zijn geen humeurige klachten van een lastpak, maar vragen naar contact met Iemand die zelf het Woord is, vragen om liefde aan Iemand die zelf de Liefde is.
En Job weet dat die God hem niet loslaat:
die God van Abraham, Isaak en Jakob heeft namelijk één zwakke plek:
Hij kan niet zonder mensen.

In het 7e hoofdstuk van Job waar we vandaag uit lezen, heeft Job het niet alleen maar over zijn eigen leed -hij is geen zeur die alleen maar zijn eigen pijntje voelen wil- maar hij klaagt God aan om het leed dat alle mensen treft:
'De mens is een eenzame zwoeger op aarde.
Een zwoeger, een slaaf die aan zichzelf overgelaten is.’

Job spreekt over de eenzaamheid waaraan de mens ten diepste is overgeleverd
als hij alleen blijft staan.
" ‘s Avonds denk ik: wanneer wordt het morgen en 's morgens: wanneer wordt het avond.”

Nooit kondigde de bijbel een grotere wanhoop aan:
het niet bij machte zijn het heden te beleven, het angstig denken aan de toekomst.
Job schildert zich bijna af als een dode.

Op Jom Kippoer (de grote verzoendag) kleden de aanwezigen zich in de synagogen in witte gebedsmantels ...
lijkwaden eigenlijk. Het is de weg van de complete ontluistering:
Levend zijn we zonder Gods erbarmen als doden.

Job is aan de diepste twijfel toe, als hij zegt dat de draad ten einde is.
Er staat 'tikva': draad. Een woord dat ook vertaalbaar is met 'hoop' (bekend van het Israëlische volkslied 'ha-tikva').

De levende doden in de synagoge op de grote verzoendag en allen die zonder hoop lijken te zijn, weten toch dat er Eén is die al dat vragen hoort, die antwoorden kan en die alle leven en toekomst van de mensheid in handen heeft.
De God die als naam draagt: 'Ik zal er zijn'.

De vrienden kunnen hem geen werkelijke troost bieden:
hun uitleg van Jobs lijden beperkte zich tot een verwijt ‘ je zult het wel verdiend hebben’
of ‘God zal er wel iets moois mee bedoelen.’
Maar die uitleg is altijd fout.

God levert nooit pakketjes lijden af en lijden is slecht. Voor vele mensen in grote ellende is daarom het boek van Rabbijn Kushner van enkele jaren geleden ‘als het kwaad goede mensen treft’ een grote troost.

Hij rekent af met het beeld van God als de ellende-zender.
God is anders, Hij is in alle ellende zijn mensen nabij, Hij is de God van de solidariteit.

Wanneer we die God tot zijn recht willen laten komen, zullen we moeten ophouden Hem verantwoordelijk te stellen voor goed en kwaad.
Wanneer we de mens èn zijn geschiedenis tot zijn recht willen laten komen, zullen we moeten ophouden hem te herleiden tot een speelbal in Gods hand.
De God van Israël is niet de tiran die ons beurtelings pakketjes ellende stuurt of heerlijke verrassingen, maar de Vriend die meegaat en de God die samen met ons geschiedenis maakt
en die ons uitnodigt op dezelfde wijze geschiedenis te maken door anderen in hun leed nabij te zijn.

Marcus 1,29-39 - In die geschiedenis verschijnt Jesus de Messias
als vertegenwoordiger van de Vader en partner in het verbond met de mensen.

In het eerste gedeelte van Marcus' eerste hoofdstuk (we hoorden dat twee weken terug) openbaart Jesus zich als leraar, in het tweede gedeelte -dat we vandaag hoorden- als genezer.

De synagoge is het dak waaronder de herinnering aan Gods bevrijdend handelen wordt levend gehouden.
en de sabbat is de wekelijkse ruimte in de tijd voor de gedachtenis van Gods verlossing en bevrijding.

Daarvan getuigt Jesus door na zijn synagogebezoek waar hij preekte en genas op diezelfde dag van het ene naar het andere huis te gaan om nog meer mensen nabij te zijn:
" Terstond toen ze uit de synagoge kwamen gingen zij naar het huis van Simon en Andreas.'
Daar ligt een zieke vrouw.
Terstond (Marcus' lievelingswoordje) spraken zij met hem over haar.

Als de leerlingen zo behulpzaam zijn kan de geschiedenis alleen maar een geschiedenis van heil worden.
Jesus neemt haar bij de hand en helpt haar overeind.

Direct na de genezing van de schoonmoeder van Simon Petrus wordt vermeld dat ze hen ging 'dienen'.
Nee, dat heeft niets onderdanigs. Dat is een levenshouding die Jesus zelf tot in zijn uiterste consequentie zal voorleven.
Dan wordt het avond ... Maar het is een avond vol hoop.
De zon is ondergegaan. maar het licht is in de stad verschenen.

Met enige overdrijving zegt Marcus 'de hele stad stroomde voor de deur samen'.
‘ Velen die aan allerhande ziekten leden genas hij.’
Wat hier gebeurt is exemplarisch voor wat in alle steden, ook als het avond is, kan gebeuren als de boodschap van Jesus serieus genomen wordt.

Na de drukte en de toeloop van deze dag trekt Jesus zich in de eenzaamheid terug
Hier is sprake van een huiver voor het succes van de wonderdoener.
Zo mogen we Jesus dus ook nooit in de verkondiging presenteren.

Simon Petrus speelt een zeer menselijke rol door te zeggen:
'Ze zoeken u allemaal'. Jesus' antwoord is wel heel wonderlijk.
Hij gaat niet in op Petrus' uitnodiging om weer terug te keren naar al die mensen in Kafarnaum die hem zoeken. Hij gaat juist weg.
Niet om mensen in de steek te laten, maar om het evangelie van het Koninkrijk elders te gaan verkondigen.
En zo is uiteindelijk het bericht van zijn troostende aanwezigheid verder gekomen zelf ook in Haarlem in dit noordelijke land.

Het Koninkrijk van God breekt baan: er is hoop!

Dat wordt vandaag tot ons gezegd in zorgelijke tijden waarin de wereld zich opmaakt tot de oorlog:
‘ we moeten flink zijn en optreden’ zeggen velen: 'moet dat nou echt’ zeggen anderen.

In diezelfde wereld worden mensen getroffen door allerlei kwaad;
gewone mensen, slechte mensen maar ook hele goede mensen.
Het blijft een vraag: ‘waarom.’

De mensen die zelf door het leed getroffen worden, de ouders van de kinderen in onze parochie die gestorven zijn
hoor ik dat echter nooit vragen.
Ze ervaren dat het goed is als er echte vrienden zijn die hen er doorheen proberen te helpen.
En ze ervaren dat er juist in die donkere uren Iemand, heel stilletjes aanwezig is om hen nabij te zijn.

Ze kijken naar alle dingen waar andere mensen zich druk over maken en weten dat die dingen niet de moeite waard zijn.
Ze weten, door het verdriet nog wijzer geworden dan ze al waren, dat het geloof mensen kracht geeft en goed bewaard moet blijven dat de hoop de dunne draad is waarmee met de toekomst verbonden blijven en dat de liefde de goddelijke warmte geeft die ieder mens nodig heeft.
God sterke hen in het bijzonder en geve ons de kracht om vol te houden op onze eigen plek en er voor de mensen die ons nodig hebben, te zijn:

Almachtige God,
allen die zich zwak en kwetsbaar weten,
mogen bij U vertroosting en sterkte vinden.
Kom naar ons toe als het lijden ons treft,
als de dagen traag aan ons voorbij gaan
en de toekomst zonder uitzicht is;
genees ons van onze kwalen,
wees de rots van ons vertrouwen
door Christus onze Heer.

AMEN.

 

 

En dan nog een preek uit Etten-Leur:

Preek voor 9 februari 1997

bij Job 7,1-4.6-7 en Marcus 1,29-39 (vijfde zondag door het jaar)

© Geerten Kok, Etten-Leur

 
 


 

Job 7, 1-4.6-7

"Moet een mens niet zwoegen op aarde en dagen maken van een dagloner?

Zoals een slaaf verlangt naar schaduw, en zoals een dagloner uitziet naar zijn loon,
zo ken ik vruchteloze maanden,
en nachten vol getob zijn mij toebedeeld.
Wanneer ik lig zeg ik:
Zal ik opstaan?
Maar de avond duurt lang.

Mijn dagen verschieten sneller dan een weversspoel,
ze lopen af, zonder hoop.

Bedenk,
mijn leven is een zucht, ik zal geen geluk meer zien. .

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Marcus 1,29vv

Vanuit de synagoge gingen Jezus en zijn leerlingen regelrecht naar het huis van Simon en Andreas,
samen met Jacobus en Johannes.

De schoonmoeder van Simon lag met koorts op bed,
en meteen spraken ze met Hem over haar.

Hij ging naar haar toe,
pakte haar bij de hand,
en liet haar opstaan.

De koorts verliet haar,
en ze bediende hen.

's Avonds,
toen de zon was ondergegaan,
brachten ze allen bij Hem die ziek waren en die van demonen te lijden hadden.

Heel de stad was samengestroomd voor de deur.

Hij genas vele zieken van allerlei kwalen,
en Hij dreef veel demonen uit.

HEEFT LIJDEN ZIN?

Als het kwaad goede mensen treft
Ruim tien jaar geleden publiceerde rabbi Kushner het boekje: "Als het kwaad goede mensen treft". Het werd snel bekend, en het wordt nog steeds veel gelezen. Kushner staat in dat boekje stil bij de vraag waar het lijden en het leed van mensen vandaan komt, en wat God met dat lijden te maken heeft. Het is een vraag die telkens door mensen gesteld wordt. Bijvoorbeeld als het gaat om ziekte of dood die plotseling in ons leven toeslaan, onverwacht vaak, en veel te vroeg ... het lijkt zo onverdiend... Of als het gaat om die oorlog die alsmaar doorgaat, om de honger, de ellende, de slachtoffers: hoe kan het bestaan, waarom blijft het bestaan?
Het lot kan mensen gunstig of ongunstig gezind zijn, de een heeft het in het leven veel makkelijker als de ander, en dat geeft het leven iets oneerlijks, iets onverdiends.

De vraag naar het waarom van noodlot en leed kan soms indringend gesteld worden, maar het antwoord blijft vaak uit.
Voor gelovige mensen krijgt die vraag nog een extra dimensie: hoe komt het dat God het lijden toelaat, waarom grijpt Hij niet in, waarom verdeelt Hij leven en welzijn niet eerlijker... Als je daar lang bij stil staat kan het zo onbegrijpbaar worden, dat het haast vanzelf de vraag naar God zelf stelt: als Hij hier niet thuis geeft, waar is Hij dan wel te vinden, is Hij dan überhaupt te vinden ...

Te snelle antwoorden
Er zijn mensen die de diepte van die vraag niet willen of kunnen toelaten. Hun antwoorden komen soms te snel, en zeggen vaak meer over henzelf als over de God van de bijbel. Zo zijn er mensen die zeker weten dat de ziekte Aids door God gestuurd is om mensen te straffen voor hun onethisch gedrag; en met die gedachten discrimeren ze dubbel. En vaak denken mensen dat voorspoed en tegenspoed op de een of andere manier beloning en straf zijn voor het gedrag van mensen. En als er dan iets ongerijmds gebeurt, een ongeluk, een ontzettend zware klap in een gezin of familie, zeggen ze vaak: het zal wel ergens goed voor zijn. Waarmee ze aangeven dat ze zelf die bedoeling niet kunnen zien, maar ook dat ze er aan vasthouden dat er ergens een bedoeling, een zin voor het lot moet bestaan. De gedachte dat dat niet zo zou zijn is te bedreigend.

De vraag naar het lijden
Eigenlijk is die vraag naar het lijden en het te snelle antwoord op die vraag het thema van het boek Job. We lazen er vandaag uit.
Het boek Job vertelt het levensverhaal van een welgestelde man, op wie ethisch noch religieus ook maar iets aan te merken is. Hij is gelukkig getrouwd, heeft een groot gezin en een goed lopende boerderij. Maar alle mogelijke rampen overvallen hem. Zijn vee wordt ziek en gaat dood, hij raakt al zijn bezittingen kwijt, zijn kinderen sterven, zijn vrouw gaat bij hem weg, en hij wordt getroffen door een stinkende huidziekte. Uiteindelijk woont hij op een mestvaalt. Moedeloos en zonder toekomst vraagt hij zich af waar hij al die rampen aan verdiend heeft, waarom God het toestaat dat al dat leed hem treft. Hij klaagt God aan, daagt Hem uit uit te leggen waarom Hij zo handelt.
De drie vrienden die Job nog niet in de steek hebben gelaten horen met schrik hoe Job God beschuldigt. Zij zijn er van overtuigd dat er voor alle lijden een reden moet zijn, want God is rechtvaardig, en als het Job slecht gaat moet hij wel gezondigd hebben, of misschien is het nog een straf voor iets dat zijn ouders misdaan hebben. In plaats van God aan te klagen, zou Job er beter aan doen zijn lot te aanvaarden, en zich te beteren en te bekeren.
Maar als Job blijft volhouden dat er geen reden is voor zijn lijden, dat het letterlijk Godgeklaagd is en oneerlijk wat hem overkomt, keren ook die vrienden zich van Job af. Job blijft alleen achter.

We hoorden in de eerste lezing zijn klacht:
Vruchteloze maanden kent ik, en nachtenlang van getob; 's avonds denk ik: wanneer wordt het morgen, en 's morgens: wanneer wordt het avond, niet meer dan een zucht is mijn leven, en nooit zal ik meer geluk zien....
We hoorden die woorden vandaag, en ik vroeg me af voor hoevelen van ons ze herkenbaar zijn...

Hoe ging het verder met Job?
Het vervolg van het boek Job is bemoedigend, maar misschien niet echt bevredigend.
Job blijft God aanklagen, totdat God zelf in het verhaal verschijnt. Maar Hij verklaart Job niet het waarom van zijn rampspoed, Hij lijkt niet aangesproken te willen worden op de oorzaak of de reden van het noodlot. Hij overdondert Job letterlijk met de grootheid van de schepping (schitterende hoofdstukken waarin de schepping wordt beschreven!), en Job buigt voor die almacht, en zo ook voor de onmacht van God om het noodlot te bepalen. In een slotzin vernemen we nog dat uiteindelijk Job zijn oude rijkdom en gezondheid weer terugvindt.
Niet alleen Job krijgt geen antwoord, ook zijn vrienden worden teruggewezen. Zij waren er van overtuigd dat er bij God een rechtvaardiging of een oorzaak voor het noodlot te vinden is, en dat maakte voor hen het lijden te dragen, maar ook die gedachte blijft teruggewezen in het boek Job. Het lijkt wel alsof God zich boven dat denken verheft. Of is het veeleer zo dat Hij inderdaad niets van doen heeft met het noodlot dat mensen kan treffen?

Een andere insteek: God helpt in het lijden .
Het evangelie van vandaag wijst een andere richting. We hoorden over Jezus, die zieke mensen geneest. Zo is Hij op bezoek bij de schoonmoeder van Petrus, die hoge koorts heeft: Jezus geneest haar, en doet haar weer opstaan. Dat heeft Marcus er niet voor niets bij geschreven: blijkbaar heeft Jezus het vermogen om mensen weer te doen opstaan: mensen die ziek zijn, mensen die teneergeslagen zijn, mensen die zich gevallen voelen, die zich als Job voelen: hij doet hen weer opstaan. En alle mensen uit de omgeving komen op hem af, de zieken en de mensen die last van demonen hebben - die zich bezeten voelen of die zich niet zichzelf voelen - ze komen bij Jezus en ze vinden bij Hem genezing, kracht om weer op te staan.

Als we God vragen naar het waarom van het lijden, komt er geen antwoord. Op "het waarom" van het lijden is God niet aanspreekbaar.
Maar als het gaat om het verwerken van het levenslot, dan komt God wel in beeld: dan verschijnt Jezus: een mens die de ander niet alleen laat, die nabijheid schenkt, die het vermogen aanspreekt om weer "op te staan". God stuurt geen oorlogen en rampen op ons af, maar Hij heeft van doen met het vermogen het lijden te dragen en waar mogelijk de de oorzaken ervan tegen te gaan.
Een goede vriend en collega wees mij die weg in de tijd dat ik overspannen was, en ik dat ook oneerlijk vond, daar God niet bij gedacht en bij gebeden kreeg, en ik mijn eigen geloven niet meer herkende: die zei: misschien heeft geloven wel veel meer van doen met het vermogen om het uit te houden als met het precies zien wie en waar God is en wat Hij van ons wil, is geloven niet zozeer het kennen van God, maar zit het in het overeind blijven zelf.
Het is een gedachte die me dierbaar geworden is, en die me soms, alsof even de mist wat dunner wordt, het gevoel geeft dat ik iets van het leven begrijp, en ik hoop dat vermoeden van richting te bewaren op de momenten dat het weer wat mistiger wordt.

De lezingen van vandaag, het noodlot van Job en het optreden van Jezus leren ons dat God niet te vinden is in de oorzaak van het levenslot van mensen, maar wel in het vermogen om het uit te houden, en dat Hij tot ons komt langs mensen die naast je blijven, die je helpen opstaan en verdergaan.
Jezus was zo'n mens, en God was de kracht die in Hem leefde, de kracht van genezing en opstanding die Hij aan mensen schonk. En we hoorden in het evangelie dat Jezus door regelmatig te bidden die kracht in zichzelf bleef voeden.

De vraag naar het lijden wordt gesteld. God is er niet de oorzaak van, maar hij is te vinden in mensen die het lijden helpen dragen en tegengaan, en hij voedt het vermogen in ons en door ons om op te staan en verder te gaan.

Mogen wij zulke mensen zijn.